Twist beschikbare premieregelingen
Sinds de inwerkingtreding van de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd (WGBL) is de nodige discussie ontstaan over de verwerking van de werknemersbijdrage in een beschikbare premieregeling.
De hoofdregel van de WGBL is dat iedereen, ongeacht leeftijd, hetzelfde krijgt. In een beschikbare premieregeling betekent dit dat het premiepercentage voor iedereen gelijk dient te zijn. De wet maakt vervolgens voor de beschikbare premieregeling een uitzondering. Deze mag ook een stijgend percentage kennen, mits dit het gevolg is van zogenaamde actuariële factoren. Het doel van een stijgende staffel is dat de werknemer, ongeacht leeftijd een zelfde pensioen kan aankopen. Hiervoor is voor een oudere werknemer meer geld nodig dan voor een jongere werknemer. Zo ontstaat bijvoorbeeld de volgende staffel:
Leeftijdsklassen Percentage van de pensioengrondslag
15-19 jaar 4,8%
20-24 jaar 5,5%
25-29 jaar 6,7%
30-34 jaar 8,2%
35-39 jaar 10,0%
40-44 jaar 12,2%
45-49 jaar 15,0%
50-54 jaar 18,5%
55-59 jaar 22,9%
60-64 jaar 28,8%
In een dergelijke stijgende staffel wordt veelal ook door de werknemer een gedeelte van de premie bijgedragen. In het verleden gebeurde dit overwegend door een gedeelte van de stijgende staffel (bijvoorbeeld 50%) te laten financieren door de werknemer. Hierdoor betaalt een oudere werknemer meer pensioenpremie dan een jongere.
De Commissie Gelijke Behandeling heeft herhaaldelijk geoordeeld dat een dergelijke wijze van financieren, leidt tot ongeoorloofde discriminatie op grond van leeftijd.
Recentelijk heeft minister De Geus per brief gemeld dat dit niet het geval is. Een stijgende eigen bijdrage van de werknemer valt volgens hem binnen de uitzondering en is daarmee geoorloofd. Zeker voor alle pensioenregelingen die net op dit punt zijn gewijzigd, is dat nogal wrang te noemen.
Ga naar totaaloverzicht pensioen